zininopvoeding > publicatie.php?nr=26044&stuurdoor=nee

‘Ik ken het gevoel. Wat klote, hè?’ 

 

Terug


Als tiener werd Nicky opgenomen op een crisisafdeling. Nu werkt ze er als ervaringsdeskundige. ‘Soms heb ik maar één woord nodig om te weten wat de ander bedoelt. Ik kan het net wat beter invoelen en zeggen: “Ik ken het gevoel. Wat klote hè?”’ 

‘Toen ik 6 jaar was, kreeg ik een auto-immuunziekte waardoor ik een jaar later in een rolstoel belandde, niet meer naar school kon en vaak in het ziekenhuis lag. Ik was volledig afhankelijk van mijn ouders. Zij moesten mijn rolstoel duwen en als de deken van mijn bed af gleed, kon ik hem er niet zelf weer optrekken.

Het waren heel zware jaren voor ons allemaal. Ik heb een heel sterke band met mijn ouders en ze waren er onvoorwaardelijk voor me, maar ik was ook te oud om zo afhankelijk te zijn. 

Zo leuk mogelijk
We maakten er het beste van. Zo noemden we dat ook. Mijn ouders probeerden ons leven zo leuk mogelijk te maken. Een ijsje halen was het uitje van de dag. Dan was ik kapot, maar hadden we dat wel gedaan. En iedereen stond voor ons klaar. De buren bakten pannenkoeken met me en namen me mee naar de dierentuin. Een heel lieve juf uit groep 3 kwam me op haar vrije dag les geven. En mijn beste vriend en zijn moeder en broer bleven langskomen, maar niet te lang, want van inspanning kreeg ik koorts.

Heel erg ziek
Ik ben een paar keer heel erg ziek geweest. Ik weet nog dat ik een keer vroeg: ‘Mamma, ga ik dood?’ Ze zei niets, maar ik zag dat ze moest huilen. Als jong kind piekerde ik al veel, maar door mijn ziekte werd dat erger. Ik kreeg hulp van een psycholoog, volgde een piekercursus en een zelfbeeldmodule, en slikte een antidepressivum. 

Onder controle
Toen ik in groep 8 zat, kregen de artsen mijn ziekte onder controle. Dat was heel fijn. Ik kon terug naar mijn oude school en werd heel hartelijk ontvangen door m’n klasgenootjes. Maar ik had toch wel zoveel gemist dat ik in groep 8 moest blijven zitten. Dat was heel pijnlijk. Dat iedereen naar de middelbare school gaat en jij niet.

Toen ik het jaar daarna ook naar de middelbare school ging, dacht ik: nu ben ik ervan af en ga ik mijn eigen leven leiden. Ik kreeg een Havo/VWO-advies, waar ik in mijn hoofd van maakte: ik moet VWO doen én Grieks én Latijn. Het hoogst haalbare. Misschien kon ik dat qua intelligentie wel, maar met die somberte die er ook nog altijd was, was dat heel zwaar.

Ik werkte keihard en bleef nachtenlang op om te leren. Maar het waren niet alleen de cijfers. Ik vond het ook moeilijk om een plek te vinden in de klas en als ik ruzie had met vriendinnen, trok ik me dat heel erg aan. Ik weigerde steeds vaker om mijn bed uit te komen, omdat ik me somber voelde of tegen school op zag. Dat leverde veel ruzie op met mijn ouders. Zij zijn van: niet piepen en niet aanstellen, er zijn maar weinig redenen waarom je thuis zou blijven. 

Patronen
In 5 VWO belandde ik in een zware depressie. In een intensieve dagbehandeling met andere jongeren van mijn leeftijd, kreeg ik meer grip op mijn sombere gevoelens en kon ik weer naar school.

Het eerste jaar van de kunstopleiding die ik daarna ging volgen, ging supergoed, maar in het tweede jaar zat ik weer nachten lang door te werken om alles zo goed mogelijk te doen. Sociaal vond ik het ook lastig. Toen ik opnieuw in een depressie belandde, ging ik zo diep dat ik besefte dat ik hulp nodig had. Blijkbaar zit er patronen in mij, die zich herhalen en me in problemen brengen. 

Helemaal mezelf 
Na een vrijwillige opname op een crisisafdeling en een jaar een nog intensievere behandeling ging ik vrijwilligerswerk doen bij een kinderopvang. Daar werd ik zo blij van. Voor kinderen ben je goed zoals je bent en ik had onwijs lieve collega’s, bij wie ik helemaal mezelf kon zijn. 
Op die plek ben ik heel erg gegroeid en van vrijwilliger werd ik betaalde kracht. Uiteindelijk heb ik er bijna zes jaar gewerkt. 

Heel blij
Door mijn eigen ervaringen zag ik soms wel gedragsproblemen of een onveilige hechting van een kind, maar als opvangmedewerker was het niet mijn taak daar iets mee te doen. Toch trok die kant me wel en toen hoorde ik van een cursus om ervaringsdeskundige te worden in de jeugdhulp.

Van die cursus werd ik ook heel blij. Ik leerde er terugkijken en daarop reflecteren: wat heeft je geholpen? Wat juist tegengehouden? En hoe werkt dat dan? Ik leerde hoe je een gesprek kan voeren en hoe je je ervaring kan inzetten om een ander te helpen. 

Levenservaring
Wat ook zo mooi was: ik zat er met jongeren die allemaal andere levenservaringen inbrachten: een tienermoeder, een ex-verslaafde, iemand die zijn hele leven in tehuizen had doorgebracht. Door die verscheidenheid leerden we door de buitenkant heen te kijken en met een heel open blik naar elkaar kijken.

Na die cursus werd ik vrijwillige ervaringsdeskundige en na anderhalf jaar kreeg ik een baan. Een paar uur in de week kon ik in een groep hulpverleners mijn ervaring inbrengen. Dat vond ik zo mooi dat ik uiteindelijk met pijn in mijn hart afscheid heb genomen van het kinderdagverblijf.

Maar één woord nodig
Nu werk ik op een crisisafdeling en bij een team dat jongeren thuis bezoekt. Jongeren die hun bed niet meer uit komen, of in een heel heftige situatie zitten. Soms heb ik maar één woord nodig om te weten wat de ander bedoelt. Als iemand zegt: “Ik wil dit gedrag niet vertonen, maar ik doe het wel en achteraf heb ik spijt”, herken ik dat. Dan zeg ik: “Ik ken het gevoel. Wat klote hè?” Als iemand de hele tijd zit te schelden, denk ik: laat maar even, blijkbaar moet het er uit. 

Een brug slaan
Ik werk nu op een gesloten afdeling waar soms jongeren worden opgenomen die weigeren te eten. Soms hoor ik een begeleider zeggen: “Zo moeilijk is het toch niet. Het is maar een boterham. Daar ga je toch niet dood aan.” Maar uit eigen ervaring weet ik dat het wél zo moeilijk is. Dus ik kan een brug slaan tussen een jongere en een behandelaar of de ouders. Ik denk dat ik ook wat meer geduld heb. Dat zie ik ook als mijn taak: als iedereen het gehad heeft, ben ik degene die het nog wel een keer probeert. 

Afstand en nabijheid
Er zijn in de hulpverlening allerlei discussies over afstand en nabijheid. Ik vind het belangrijk dat je als hulpverlener ook nabij bent. Als je van mens tot mens praat, voelt een jongere zich wat normaler en niet alleen een zorgenkindje. Als je bijvoorbeeld dezelfde muzieksmaak hebt, geeft dat een gevoel van gelijkwaardigheid.

Toen ik op kamers woonde, zei ik een keer tegen mijn psychiater: “Ik vind het soms zo ellendig om met een bord eten alleen op de bank te zitten.” Toen zei hij: “Dat herken ik wel. Zo voelde ik me ook op m’n studentenflatje.” Dat maakte zoveel indruk: dat hij dat gevoel kende en dat met mij deelde. 

Het gaat nu goed met me, maar het blijft moeilijk en ik moet elke dag aan mijzelf blijven werken. Maar ook die ervaring kan helpen in het contact en soms zeg ik dat ook eerlijk. Ik ben heel blij met dit werk. Het voelt goed dat ik iets zinvols kan doen met alles wat ik heb meegemaakt. Dat ik er met mijn ervaringen aan kan bijdragen dat jongeren weer wat perspectief gaan zien. Soms is het een heel lange weg, maar die ben ik zelf ook gegaan.’ 

Interview: Marijke Verduijn


 


Terug

  Meer informatie   Facebook   Twitter
 
  contact disclaimer
  inloggen  colofon
   
   
   
  © 2023 Zin in Opvoeding