zininopvoeding > publicatie.php?nr=25936&stuurdoor=nee

'Elk stapje vooruit is winst'

 

Terug


=

Ieder kind heeft recht op omgang met beide ouders. Maar bij sommige scheidingen is er met deuren gegooid, geschreeuwd of geduwd, of zijn kinderen bang geworden voor een van hun ouders. Als de spanningen tussen ouders zo hoog zijn opgelopen dat ze zelf geen contact meer kunnen regelen, kan de Begeleide Omgangsregeling (BOR) de relatie tussen een ouder en kind weer op weg helpen. Dankzij de hulp van een vrijwilliger staan ze er dan niet helemaal alleen voor. 

In de Begeleide omgangsruimte van Humanitas Den Bosch staat een bank, een kast met spelletjes en tekenspullen. Er is een schoolbord, een keukentje, een voetbalspel, een poppenkast, speelgoed en zelfs een prinsessenjurk.

‘Zeker als kinderen al wat langer geen contact hebben gehad met een ouder, kan het fijn zijn dat weer op te bouwen via een spelletje’ is de ervaring van Caroline Verschuuren, coördinator BOR in Den Bosch. 

Meerzijdige betrokkenheid
Meestal zijn het vaders in de BOR-ruimte, maar soms ook een moeder. Meestal kinderen onder de twaalf jaar, maar soms ook een puber die wel met een ouder wil praten, maar dat liever niet alleen doet. Vaak melden ouders zichzelf aan, maar soms belt een maatschappelijk werker of een andere hulpverlener, of verwijst de rechter.

Vaak zijn kinderen de eerste keer terughoudend, maar soms ook niet. Laatst sprintte een jongetje dat zijn vader al best lang niet had gezien, langs de vrijwilliger naar binnen en sprong hem zo in de armen.

Geen BOR-situatie is hetzelfde, maar er zijn wel overeenkomsten. De BOR is laagdrempelig. Ouders kunnen hem zelf aanvragen. De begeleide omgang duurt in principe maar een half jaar.

Maar misschien is wel het allerbelangrijkste: de BOR kent geen professionele hulpverleners, maar vrijwilligers. Die zijn er in de eerste plaats voor het kind en bieden van daaruit meerzijdige betrokkenheid aan beide ouders. Dat geeft vertrouwen en veiligheid.  

Vertrouwen
Als er een aanvraag binnen komt, belt coördinator Caroline beide ouders. In die gesprekken probeert ze een beeld te krijgen van de ouders, het kind en de situatie. Wat zijn de zorgen? Wat de draagkracht? Ook probeert ze vertrouwen op te bouwen. ‘Ik leg altijd uit dat wij niet oordelen of aan waarheidsvinding doen, maar goed naar beide ouders luisteren om hun kant van het verhaal te horen.’ 

De coördinator legt de moeder* ook uit dat het kind heftig kan reageren op de begeleide omgang. Het kan weer in bed gaan plassen, vaker huilen of juist heel stil worden. ‘Dat wil niet zeggen dat er iets naars is gebeurd, maar wel dat het heel spannend was en dat het kind heel wat te verwerken heeft. Het heeft pappa weer gezien, met een vreemde mevrouw erbij, in een andere kamer en de vader was misschien zenuwachtig. Dat doet iets met een kind.’ 
Door dat vooraf te benoemen, voorkom je dat een moeder na het eerste gesprek aan de bel hangt: “hij heeft de hele nacht niet geslapen. Wat is er gebeurd”?’

Na dit eerste gesprek benadert de coördinator een vrijwilliger, waarna ze de ouders uitnodigt om daarmee kennis te maken.  Ieder apart, zodat ook de vrijwilliger het verhaal kan horen zonder dat de andere ouder zit te zuchten of met de ogen te rollen. ‘Op een aantal punten komt dat verhaal overeen, bijvoorbeeld: op 12 februari hadden we ruzie bij de deur en ging er een raam kapot. Maar over wat daaraan vooraf ging of daarna kwam, verschillen de verhalen vaak.’
Daarna maakt de vrijwilliger, bij moeder thuis, ook kennis met het kind. Dan weet het kind dat de moeder het goed vindt dat het samen met de vrijwilliger zijn vader gaat zien. 
De ouders bepalen het tempo 

In principe duurt de begeleide omgang een half jaar – eens in de week of eens in de twee weken, dus 12 of 24 keer. De coördinator doet een concreet voorstel, maar het tempo wordt bepaald door wat de ouders en het kind aan kunnen.

Soms wil de vader zo snel mogelijk en staat de moeder op de rem. Dan kan de vrijwilliger de ouders uitleggen dat bet beter werkt als ze allebei een beetje water bij de wijn doen. En dat het de bedoeling is dat ze tijdens het traject ook steeds een stap(je) zetten: dat de vader het kind wat langer kan zien, bijvoorbeeld, of het samen met de vrijwilliger naar de speeltuin mag meenemen, of naar het huis van de vader.  

Veilig
Bij het eerste contact komt de moeder het kind brengen en draagt zij het over aan de vader, of – als dat veiliger voelt – aan de vrijwilliger. ‘Soms, bijvoorbeeld bij een geschiedenis van huiselijk geweld, moet de vrijwilliger de brug zijn tussen vader en moeder’, zegt Caroline. Kinderen zijn loyaal aan beide ouders, maar als een kind één ouder zo lang niet heeft gezien dat het hem eigenlijk niet meer (her)kent, moet het die loyaliteit weer helemaal opbouwen.

‘Er was een tweeling van vijf jaar die hun vader al drie jaar niet meer had gezien. Ze vonden het verschrikkelijk spannend en klampten zich vast aan hun moeder. Hans, de vrijwilliger, maakte er een spel van. “Denken jullie dat ik zo sterk ben dat ik jullie allebei kan optillen?” Na een tijdje zei hij: “Nu wil ik jullie naar pappa brengen. Vinden jullie dat goed?” Ze vonden het goed. Maar in het begin moest Hans heel intensief meespelen.’ 

Als een jongetje zijn vader in de armen springt, heeft de vrijwilliger een heel andere rol. Toch blijft hij er ook dan bij – van het begin tot het eind.

Dat is de afspraak en dat geeft een bezorgde moeder veiligheid. Op haar beurt mag ze weggaan, maar ook met een kopje koffie in de wachtkamer blijven, zodat ze weet dat ze haar kind zou kunnen horen als het heel hard huilt. 

Na afloop draagt de vrijwilliger het kind weer over en doet kort verslag. Als het kind sommige dingen beter niet kan horen, belt de coördinator later na.

Verschil maken
Principieel bemoeit Humanitas zich niet met de opvoeding. ‘Maar als er iets gebeurt wat schuurt tegen wat goed is, benoemen we dat wel. Daarom is het ook zo belangrijk dat de vrijwilliger er steeds bij is. Als we zien dat een vader dreigt om iets gedaan te krijgen, of een kind in elkaar krimpt als een vader zijn stem verheft, of een moeder het contact negatief beïnvloedt, gaan we daar wel over in gesprek.’ 

Om de relatie van de vrijwilliger met beide ouders open te houden, is het meestal de coördinator die eventuele problemen aankaart. Daarbij benoemt ze op een respectvolle manier wat ze heeft gehoord en wat ze ziet. ‘Soms laten mensen onhandig gedrag zien, maar het kan helpen als je kunt uitleggen wat dat betekent voor een kind. Het beste is als ouders zelf bedenken hoe dat eruit kan zien. Dat kunnen wij niet voor hen bepalen.’

Doordat ze een band met beide ouders heeft opgebouwd, kan een vrijwillige soms net verschil maken. ‘Ik heb wel meegemaakt dat ik een moeder iets probeerde duidelijk te maken en dat ze steeds zei “Ja maar” – en dat is eigenlijk “nee”. Toen zei de vrijwilliger “Hé, joh, hou eens op. Ze probeert je iets te vertellen en dat is belangrijk voor je”. Door de band die ze had opgebouwd, accepteerde de moeder dat. Vanuit die gelijkwaardigheid kan een vrijwilliger de ouder soms ook tips geven, zonder dat de ander dat als belerend of sturend ervaart.’

In de zes jaar dat ze dit werk doet, heeft Caroline maar één omgangsregeling afgebroken. ‘Het belang van het kind staat voorop. Als we merken dat we een kind door het contact met de andere ouder tekort doen, moeten we het stoppen.’

Samen verder
Het doel van de begeleide omgangsregeling is dat de ouders het contact zelf verder invullen. In het beste geval is er na een half jaar een weekendregeling en een vakantieplanning. Soms kunnen de ouders elkaar nog steeds niet zien, maar mag de vader zijn kind wel eens in de week van school halen en daarna terugbrengen bij een tussenpersoon. Maar elke stap vooruit is winst.

Aan het eind van het traject nemen de vrijwilliger en de coördinator met een eindevaluatie afscheid van de ouders. Daarbij nadrukken ze dat die altijd weer contact kunnen opnemen als ze ergens in vast dreigen te lopen. 
De vrijwilliger neemt ook afscheid van het kind. Als het goed ging, zegt hij: “pappa en mamma kunnen het weer samen. Ik heb het heel fijn met je gehad.” En als het niet goed is gegaan: “ik heb het heel fijn met je gehad. We moeten stoppen, maar dat is niet jouw schuld.”

Onmisbaar
Als professional en coördinator heeft Caroline een belangrijke rol, maar de begeleide omgangsregeling staat of valt met de vrijwilligers. Dat kunnen vrouwen zijn, of mannen, gepensioneerden of jongeren, mensen die met kinderen werk(t)en of iets heel anders deden, mensen die zelf gescheiden zijn, single of getrouwd. 

Wie zich aanmeldt, krijgt na een intake een training – deels online en met een verdiepingsdag in een groep. Zo leren ze over de juridische aspecten van een scheiding, maar ook over de praktische veranderingen en de impact op ouders en kinderen en hoe mensen kunnen omgaan met rouw. De training gaat ook in op hun eigen rol, die van de coördinator en het belang van meerzijdige betrokkenheid. 

Het dierbaarste wat ze hebben
Een begeleide omgangsregeling staat of valt met een goed voorbereide vrijwilliger die zich open en positief wil inzetten voor de belangen van zowel ouders als kinderen. ‘Weet je wat ik na zes jaar nog steeds zo bijzonder en waardevol vind?’, vraagt Caroline. ‘Met dit vrijwilligerswerk word je toegelaten in een van de moeilijkste fasen in het leven van mensen en bij het dierbaarste wat ze hebben.’

Interview: Marijke Verduijn
Foto's: BOR Den Bosch. De ouders die bij deze begeleiding omgangsregeling te zien zijn, komen niet in het interview voor. 


Ook vrijwilliger worden bij Humanitas? Bij de begeleide omgangsregeling of een van de vele andere projecten, overal in het land? 

*Bedoeld is: de ouder bij wie het kind woont. Dat kan ook de vader zijn, maar omdat het in 90 procent om de moeder gaat, hebben we het over ‘de moeder’.  

scheiding omgang vrijwilliger

 


Terug

Meer informatie Facebook   Twitter
contact disclaimer
inloggen colofon
2022 Zin in Opvoeding