zininopvoeding > publicatie.php?nr=25546&stuurdoor=nee

'Dankbaarheid, verantwoordelijkheid en hoop. Die drie'

 

Terug


Jantine (27) en Albert (25) zijn bijna vijf jaar bij elkaar en anderhalf jaar getrouwd. Ze zijn voor de eerste keer in verwachting.  

‘Dat ik zwanger ben, doet fysiek en mentaal meer met me dan ik had verwacht. De grootste verandering is heel mooi: ik verwacht een tweeling. Daar moeten we aan wennen, maar we zijn er wel heel blij mee. Ik ben nu 21 weken zwanger en ik voel ze van plaats verwisselen in mijn buik. Dat is heel bijzonder. 

Fysiek is het wel zwaar. Ik moet heel rustig aan doen en ben al een poosje thuis. Nu mag ik nog wel eens een rondje lopen, maar er is een kans dat ik op een gegeven moment alleen nog maar moet liggen. Ik moet er dus ook aan wennen dat ik de hele dag thuis zit. Ik lees boeken, puzzel wat en verder: lang leven slechte televisie overdag. Het is bikkelen op de bank. Ik hoop dat ik de 37 weken haal. Dan moet ik hier nog 16 weken zo zitten. Gelukkig gaat het tot nu toe goed met de baby’s. En dat is natuurlijk het allerbelangrijkste.

Wat is voor jou belangrijk gebleken in de zwangerschap?
Toen ik tegen mijn vriendinnen zei: het gaat niet zo goed en ik kan wel wat hulp gebruiken, stonden ze allemaal voor me klaar om een uurtje schoon te maken of bij te kletsen. Ook als ze zelf geen kinderen hebben of niet zwanger zijn. Dat vind ik heel mooi. Ik heb dus gemerkt hoe belangrijk vriendschap is. En ook dat je goed voor jezelf moet blijven zorgen.
Dat werkt ook andersom: de zwangerschap beheerst natuurlijk een groot deel van mijn leven, maar ik vind het belangrijk dat ik me niet terugtrek in mijn zwangere leventje. Dat ik het contact met de buitenwereld niet verlies. En dat ik mij realiseer dat mijn vriendinnen wel een dagelijks leven hebben.

Kijk je anders naar de wereld nu je zwanger bent?
Ik ervaar de wereld wel als iets gevaarlijker.  Dat komt, denk ik, omdat ik niet meer alleen voor mijzelf verantwoordelijk ben, maar ook voor twee anderen. Nou ja: voor drie natuurlijk, maar Albert kan zichzelf goed redden.
Laatst zat ik bij mijn moeder in de auto en maakte een andere automobilist een heel gevaarlijke beweging. De dreiging daarvan komt harder aan nu ik zwanger ben. Ik ben vrijwilliger bij de Doopsgezinde Kerk en daarvoor reis ik nog wel eens naar verre landen. Dat is soms spannend, maar voor mezelf weet ik wel welke risico’s ik kan en wil nemen. Als je kinderen hebt, ligt dat misschien anders. Maar ik zou niet willen dat de angst me teveel gaat belemmeren in wat ik doe. Ik wil niet uit overbezorgdheid vooral thuis blijven zitten.  

Maak je je ergens zorgen over?
Omdat er zoveel haken en ogen aan zitten, maak ik me op dit moment vooral zorgen of de zwangerschap wel goed blijft gaan. We hebben gelukkig een groot netwerk aan familie, vrienden en kerk. Maar er zal vast nog wel iets achter weg komen. Ik weet niet hoe vroeg ze geboren worden en of ze misschien lang in het ziekenhuis moeten blijven.   

We hebben geen test gedaan, want we willen niet denken in kansen. Wat doe je als er dertig procent kans is dat er iets niet goed is? En doe je dan iets anders dan bij veertig procent kans? Daar konden we geen keuze in maken. Alberts broertje heeft autisme en we weten heus dat dit – of iets anders – ons ook kan overkomen. Ik heb een autistisch neefje en ik heb gewerkt met kinderen met beperkingen. Dus ik weet dat het zeker iets van ons zal vragen. Maar het betekent niet dat een kind niet een mooi leven bij ons kan hebben. En ook als onze kinderen bij de geboorte gezond zijn, kan er later nog van alles gebeuren.’
 
Wat wil je aan jullie kindjes doorgeven wat je zelf hebt meegekregen?
Ik ben opgegroeid in een liefdevol huis. Mijn broertje en ik kregen sterk mee dat je verantwoordelijkheid moet dragen voor wat je doet. Je moet je werk goed doen. Maar het maakte mijn ouders niet uit of ik timmerman zou worden of wetenschapper. Bij ons thuis werd altijd gezegd: ‘zonder een timmerman komt je huis er niet.’

Ik  kan me nog goed herinneren dat ik op de middelbare school het profiel Cultuur en Maatschappij koos: daar lag mijn interesse. Mijn mentor zei: ‘Ik hoop niet dat je ouders je gepusht hebben om deze kant op te gaan? Je hebt zo’n goed verstand. Waarom ga je geen Natuur en Techniek doen?’ Ik was zó boos. Mijn ouders zouden ons nooit pushen. Die lieten ons absoluut vrij. Natuurlijk gaven ze ons wel advies, maar we moesten altijd zelf onze keuzes maken. Het scheelt misschien wel dat we niet heel domme keuzes maakten …

Voor mijn ouders was ook belangrijk dat je respect hebt voor alle mensen, ongeacht waar ze vandaan komen. Dat zou ik allemaal willen doorgeven: respect voor de ander, verantwoordelijkheid, zorg voor familie en vrienden. En het geloof, natuurlijk. We zijn allebei christelijk opgevoed. Mijn vader is van huis uit katholiek en mijn moeder is via de Doopsgezinde zondagsschool Doopsgezind geworden. Mijn broertje en ik zijn katholiek gedoopt, maar we gingen altijd naar de Doopsgezinde kerk. Daar ben ik blijven plakken en daar heb ik ook belijdenis gedaan. Ik voel me er heel erg thuis: de vormen en normen spreken me erg aan. In de praktijk gaan we naar de protestantse kerk, omdat ik daar werk als jeugd- en jongerenwerker en omdat daar wat meer jonge gezinnen zijn. Voor mij is dat prima: ik vind het stempeltje niet zo belangrijk.

Wat heeft Albert meegekregen dat je wil doorgeven?
Albert en ik zijn op veel vlakken heel verschillend opgevoed. Bij Albert thuis is het best chaotisch en mijn gezin is heel gestructureerd. Albert zegt wel eens dat er bij ons veel ongeschreven regels zijn, die ik niet meer zie.  Ik heb één broertje, bij Albert zijn ze met z’n vieren en Alberts broertje heeft autisme. Alberts vader was zeeman en zijn moeder stond eigenlijk alleen voor de opvoeding.
Maar door al die verschillen heen is de warmte van het nest hetzelfde. Wat ik heel mooi vind is dat voor Alberts moeder het gezin vóór alles kwam.’

Albert, die vanwege Jantines situatie wat meer thuis werkt, schuift even aan: ‘Zeker. Nu ik zelf ouder word, zie ik hoe goed ze dat heeft gedaan. Feitelijk stond mijn moeder er alleen voor met vier kinderen, van wie er één extra zorg nodig heeft. Dat is niet zomaar wat. Dus als ik iets zou noemen, is het de inzet die mijn ouders hebben getoond. Het gezin stond altijd op de eerste plaats en ze hebben enorm hun best gedaan om ons te geven wat we nodig hebben. Nu ik zelf vader word, voel ik de verantwoordelijkheid dat ook te doen. Zij het op mijn eigen manier.’
 
Wat vinden jullie zelf vooral belangrijk?
Jantine: ‘Ik wil mijn kinderen bewust maken van de verschillende achtergronden van mensen. Ik wil met ze bij verschillende kerken langs gaan en ook zeker een moskee bezoeken. Ik kom uit een dorp in Friesland. Mijn moeder deed vrijwilligerswerk in een AZC en ik ben samen met haar wel eens bij vluchtelingen thuis geweest, maar daar kan ik me niet zoveel van herinneren. En verder waren er alleen maar blanke Friezen.
Maar onze samenleving verandert en we leven met zoveel verschillende culturen bij elkaar. Ik denk dat het belangrijk is dat je daar iets over leert. Wij geven ze natuurlijk wel ons eigen geloof mee, maar we willen ze ook leren dat er mensen zijn die er anders over denken en dat dat prima is, zolang je maar met respect over elkaar praat. Dat vind ik heel belangrijk. Zeker als je nu ziet hoe mensen soms tegenover elkaar staan. Dat hoeft toch niet: je kunt prima naast elkaar leven, denk ik.

Hoe zou je willen dat jullie kindjes in het leven staan?
Positief. Belangstellend naar anderen. Open naar de wereld. En zelfverzekerd. Zodat je je plek weet in de wereld, je geliefd voelt en vanuit een veilig netwerk op onderzoek uitgaat.

Welk gevoel moet het geboortekaartje voor jullie uitdrukken?
Wat ik voel is: dankbaarheid dat ons zoiets moois is gegeven. Ene gevoel van verantwoordelijkheid. En de wens dat de kinderen een goed leven zullen hebben. Dus dankbaarheid, verantwoordelijkheid en hoop. Die drie.

Heeft die dankbaarheid een adres?
Voor mij is dat wel God. We wisten natuurlijk niet of we kinderen zouden kunnen krijgen, of dat we daar heel veel moeite voor zouden moeten doen. Ik ben dankbaar dat dit ons is gegeven. Door God, denk ik dan. Maar ik realiseer me heel goed dat ik, als we geen kinderen hadden kunnen krijgen, niet zou zeggen dat dat een straf van God is. Dus ik zie wel dat dat niet helemaal op elkaar klopt. En toch houd ik het zo. Dankbaarheid moet, denk ik, een adres hebben. En als je die dankbaarheid aan God kunt geven, kun je ook je zorgen doorsluizen.' 

Interview en foto: Marijke Verduijn

Over deze serie: Advent is de tijd van het toeleven naar Kerst. We zijn er nog niet, maar de feestverlichting brandt al en we steken al kaarsen aan.  
Daarom publiceren we in deze Adventstijd de verhalen van vrouwen die, net als Maria, in verwachting zijn van hun eerste kindje(s). 

Lees in deze serie ook:
'Wij denken dat ons kindje iets kan toevoegen dat de wereld verder brengt'
'Ik voel me zo gezegend'


 


Terug

  Meer informatie   Facebook   Twitter
 
  contact disclaimer
  inloggen  colofon
   
   
   
  © 2019 Zin in Opvoeding