zininopvoeding > publicatie.php?nr=25259&stuurdoor=nee

Ze was niet eens een vriendinnetje

 

Terug


"Ik was 11. Mannen met snoep, ijs, jonge hondjes of kittens: daar had mijn moeder me voor gewaarschuwd. Nooit meegaan – dat wist ik wel. Maar kastanjes? Daar had ze niets over gezegd. En die liep ik nu juist te zoeken samen met een meisje uit mijn klas. We vonden er maar een paar. En toen kwam opeens die man uit de bosjes. Hij wist een plek waar er een heleboel lagen.

Wel 100 glanzende kastanjes
Hij vroeg het andere meisje met hem mee te gaan, maar ze weigerde. Ik kon alleen maar denken: wat stom van je! Toen vroeg hij mij. Ik liep achter hem aan de bosjes in en zag dat hij geen woord teveel had gezegd: er lagen wel 100 glanzende kastanjes. Terwijl ik opgetogen begon te rapen, riep hij ineens: ‘Je hebt allemaal vlekken achter op je bovenbenen. Dat is heel erg. Dan ga je dood.’ Gelukkig had hij verstand van zaken. Dus als ik ging liggen en mijn broekje uitdeed, kon hij er wel iets tegen doen.

Hij liet me gaan
Ik wilde niet dood. Maar toen hij tussen mijn benen begon te rommelen, werd ik banger van wat hij deed dan van waar hij mee dreigde. Ik rukte me los, stond op, trok mijn broekje weer aan en zei: ‘Ik wil naar mijn moeder.’ ‘Maar dan ga je dood’, zei hij nog. Hij liet me wel gaan. Was dat omdat mijn klasgenootje nog stond te wachten?

Ik rende naar huis en riep huilend tegen mijn moeder dat ik dood ging. Die stelde me gerust: er waren geen vlekken en ik ging niet dood. Ja, dat wist ze heel zeker. ‘Maar die meneer zei … ‘, snikte ik nog. Maar ik was alweer veilig. 

Dat wil zeggen: thuis. Maar als ze dit op school zouden horen! De volgende morgen nam ik mijn klasgenootje beschaamd apart: wilde ze dit alsjeblieft nooit aan iemand vertellen? Ze hield woord – anders had ik het wel gemerkt. En ik vergat min of meer wat er was gebeurd.

Ik wilde hen hun vertrouwen niet afnemen
Pas jaren later kwam het allemaal weer boven. Dat was toen ik mijn kinderen zei nooit mee te gaan met mannen die snoep, ijs of jonge dieren beloven. Opeens drong tot me door dat ik ze nooit afdoende zou kunnen beschermen, omdat mensen die kwaad willen zo slim kunnen zijn en kinderen zo vol vertrouwen en goedgelovig. 

Eigenlijk wilde hen ik dat vertrouwen helemaal niet afnemen. Toch heb ik ze dit verhaal wel verteld. Want ze moeten voorbereid zijn op mensen met kwaad in de zin, ook al kan dat nooit helemaal. Ik heb ze ook verteld dat ze stampij mogen maken als een kind of een volwassene iets met hen wil waar ze bang van worden: gillen, een ruit inslaan, hem pijn doen. Dat was helemaal nieuw voor ze: dat mag toch niet? Nee, niet zomaar. Maar wel als het nodig is.

Ze was niet eens een vriendinnetje
Ik heb ze nog iets verteld. En dat is het verhaal van dat andere meisje. Ze was niet eens een vriendinnetje en ik geloof niet dat ik ooit eerder of later met haar heb gespeeld. Ze vond het ongetwijfeld stom van me dat ik met hem was meegegaan. Maar ze liep niet weg en misschien heeft ze me daardoor gered. En ze heeft nooit over me geroddeld – en daardoor redde ze me zeker.

Het leek me belangrijk mijn kinderen ook die ervaring mee te geven. Want ja: er zijn slechte mensen en dat is een afschuwelijke boodschap als je nog aan het begin van je leven staat. Maar er zijn ook – en gelukkig veel méér – goede mensen, aan wie je een leven lang met grote dankbaarheid kan terugdenken."  

Tekst: Marijke Verduijn 

 

 

 

 

 

 

 

 


 


Terug

Meer informatie Facebook   Twitter
contact disclaimer
inloggen colofon
2021 Zin in Opvoeding