zininopvoeding > publicatie.php?nr=22502

Annika

 

Terug


De zwangerschap van Thijs was een onverwacht cadeautje. Annika: 'Jeetje: we kregen een kind! Door allerlei complicaties tijdens de bevalling kreeg ik Thijs pas na 48 uur in mijn armen. 
Hij had een speciale manier van kijken, of liever: van niet-kijken. Hij maakte geen contact. Hij huilde nooit, ook niet als hij honger had: ik gaf hem wat hij volgens het boekje nodig had. Hij sliep de hele nacht door. Het was een voorbeeldig kind.


Dat beeld moest ik bijstellen toen zijn broertje Lars was geboren: Lars keek heel anders, Lars huilde als hij iets wilde.

Ik dacht eerst dat het een hechtingsprobleem was: ik had een keizersnee gehad, hem pas na 48 uur in mijn armen gekregen. In eerste instantie was dat dan ook mijn hulpvraag: wij bereiken Thijs niet. Help ons daarmee. Zeg me wat ik verkeerd doe. Leer ons hem helpen.

Thijs bleek heel pienter. Hij praatte ook heel goed. Maar hij deed alles letterlijk zoals wij dat van hem vroegen en je maakte hem absoluut niet blij met verrassingen: dan raakte hij in paniek of werd hij boos. En toen hij naar de kleuterschool ging, zagen we dat hij anders was dan de andere kinderen. Rond die tijd kwamen de eerste vermoedens dat Thijs ‘iets’ had op het autistisch spectrum. Maar hij was pas vier en we hielden toch vooral vast aan het idee dat hij niet goed was gehecht, of ADHD had: hij was heel druk en explosief. Maar dat paste wel in de familie. 

De diagnose
Toen hij zes jaar was, kwam de diagnose: het syndroom van Asperger. De arts zei: ‘Laat het eerst maar even bezinken.’ Thuis gingen we meteen op zoek op het internet en het ene na het andere wanhoopsverhaal sloeg ons in het gezicht: geen vriendschappen, geen inlevingsvermogen en een toekomst op de sociale werkplaats of in de criminaliteit. We hadden net ons derde kind gekregen: Nout. Was het iets erfelijks? Zou Nout ook? Beetje bij beetje hebben we geleerd die vraag niet meer te stellen. Thijs is wie hij is en wij zijn bezig zijn mogelijkheden te ontdekken. 

Verdriet
Gek genoeg was ik door de diagnose in het begin vooral verdrietig en onmachtig. Blijkbaar had ik niets verkeerd  gedaan en had het niets met hechting te maken. Het was dus out of my hands. Dat verdriet sloeg al snel om in zorg. 
Ik stond open voor alle mogelijke therapieën. Onno, zijn vader, was vooral bezorgd: hoe moet dat nou? Hij was nog nooit in aanraking gekomen met psychologie of psychiatrie. We kregen bezoek van een mevrouw van de stichting MEE. Al snel hing het hele huis vol met pictogrammen. Onno vond dat vreselijk. Het klikte ook niet tussen hen. Al snel wisten we: dat gaat 'm niet worden. 

We kenden iemand die met kinderen en gezinnen met autisme werkt. Hij zei: stop met googlen, laat het even bezinken. Maar hij zette ons ook op het spoor van Colette de Bruin. Zij heeft zelf een vader met Asperger en een zoon met PDD NOS en ontwikkelde de methode Geef me de vijf. Kort daarna gaf zij een lezing bij ons in de buurt en ik herkende elk woord. Bijvoorbeeld dat ze wel eens helemaal wanhopig boven aan de trap had gestaan en had gedacht: als ik hem nu laat vallen, is het rustig..

Colette zegt: ieder mens heeft een streepjescode. Iemand met autisme streept op duidelijkheid en ordening. Hij kan niet interpreteren: voor hem is alles fragmentarisch en hij moet die verschillende fragmenten bij elkaar puzzelen. Jij als ouder moet leren kijken hoe hij kijkt. Om dat goed te leren, zijn we een jaar lang iedere woensdag getraind door Colette en haar team. 

Thijs kan heel goed puzzelen
Nu wij wisten wat er met Thijs aan de hand is, wilden we dat ook aan hem vertellen. Want hij voelde wel degelijk dat er wat was. Als Thijs op het schoolplein staat, staat hij alleen. Links van hem is een groepje aan het voetballen, rechts zijn ze aan het knikkeren. Het duurt voor hij dat plaatje bij elkaar heeft gepuzzeld en begrijpt dat hij één van die twee kan kiezen om mee te doen. En nét als hij dat begrijpt, is de pauze afgelopen. Dat geeft frustratie – keer op keer: zij zijn stom!

Colette gaf ons een boekje: ‘Mick kan heel goed puzzelen’. Op een keer, toen we samen in de hangmat lagen, heb ik hem het boekje voorgelezen. Onno heeft dat gefilmd. Toen het boekje uit was, riep Thijs ‘dat ben ik!’. En opeens begon hij over zichzelf te vertellen. ‘Ik kan ook heel goed puzzelen. Maar als ik dit doe, dan doe jij dat, en dat begrijp ik niet. Dan wordt het heel druk in mijn hoofd – met allemaal violen en drumstellen.’ 

Ondertitelen
Door de training van Colette weet ik dat ik duidelijkheid moet aanbrengen en Thijs de tijd moet geven om te puzzelen. ‘Hoe was het op school?’ is geen goede vraag. ‘Wat heb je gedaan?’ wel. Dan zegt hij: ‘We hebben gelezen en gerekend en ik heb alle opdrachten van spelling af.’ En dan zeg ik: ‘Ja, want spelling vind jij leuk, hè? Daar ben je heel goed in.’ Ik noem het: ondertitelen.

Ik verklaar voor hem wat hij voelt. ‘Ik heb buikpijn. Ik ben ziek.’ ‘Nee, je hebt buikpijn omdat je honger hebt. Als je om 12 uur buikpijn hebt, ben je niet ziek, maar heb je honger.’

Hij kan dat steeds beter zelf, maar als er iets onverwachts gebeurt, moet ik weer ondertitelen. Uitzonderingen blijven lastig. We eten elke vrijdag patat. Dat is de regel. Als we dat om een bepaalde reden niet doen, is dat een uitzondering en dus lastig. Dat moet ik hem uitleggen. 'Maar volgende week eten we op vrijdag gewoon weer patat.' 

Nog een voorbeeld. Thijs viel  en schaafde lelijk zijn knie. Mijn neiging is dan om op hem af te rennen en hem tegen me aan te houden: ach jongen, toch! Maar dat is allemaal veel te veel voor hem: de wereld kantelt, er is pijn, hij wordt vastgepakt. De kans is groot dat ik dan uit afweer een klap krijg. Ik heb geleerd dat ik dan moet zeggen: ‘Thijs, je bent gevallen. Je knie doet pijn. Daar doen we een pleister op. Maar het blijft nog wel even pijn doen. En dan krijg je een knuffel van mama.’ 

Of je alles kan ondertitelen? Je leert trechteren. Doorvragen. Hij koppelt dingen aan elkaar die niets met elkaar te maken hebben. Die moet je voor hem uit elkaar halen. We proberen hem zoveel mogelijk zekerheid te geven. Bijvoorbeeld: wát we gaan doen ligt niet vast, maar wel dat pappa en mamma bepalen wat we gaan doen. We hebben geleerd dat je niet alles voor kunt zijn. Dan nemen we een gecalculeerd risico: we gaan nu naar een nieuwe camping en Thijs zal een dag niet te genieten zijn...

Zorgen
Thijs heeft geen invoelingsvermogen. Wat hij op dat terrein wel kan, is aangeleerd. Vriendschappen onderhouden kan hij niet. Onno en ik hebben Thijs heel bewust laten dopen. Ik was niet apostolisch meer, Onno wel. Maar ik dacht: dopen is goed, want daarbij beloof je dat je je kind wil opvoeden tot een liefdevol mens. Die doopbelofte heeft me in het begin ook wel dwars gezeten. We hadden beloofd dat we alles uit ons kind zouden halen wat er in zit, maar wat zit in Thijs? En hoe halen we dat er uit? 

Elke leeftijdsfase brengt nieuwe zorgen met zich mee. Zou hij bijvoorbeeld wel vrienden kunnen maken? In het begin nam hij wel eens een vriendje mee naar huis, want dat hoorde kennelijk zo. Maar dan zat ik in de keuken met dat vriendje, terwijl Thijs met de Lego zat te spelen. Nu heeft hij al een poos twee vrienden. Dat is wel stabiel. 

Voor zijn broers is het niet altijd makkelijk. Thijs is in ons gezin heel erg aanwezig. Vanwege Thijs moeten we dingen plannen en is er weinig ruimte voor onverwachte dingen. Daarom gaat hij eens in de zes weken logeren. Dan hebben wij een weekend zonder autisme. En dan merk je pas hoeveel invloed het heeft op je gezin. Hoeveel je er voor doet en hoeveel je er voor laat. 

Talenten 1
Thijs heeft ongedachte talenten in me aangesproken. Ik dacht dat ik wist hoe ik moest opvoeden, maar Thijs heeft me geleerd te denken vanuit de kinderen. Dat is een stuk makkelijker dan ik dacht. We praten heel veel met hen, we bevragen ze, onderzoeken waarom ze iets doen, zeggen of willen. We hebben geleerd dat je die dialoog kunt aangaan, zonder dat je de volledige keuze van wat er gaat gebeuren bij hen laat. 

Nog een talent dat ik heb ontwikkeld: ik ben heel consequent. Dat moet wel. Thijs begrijpt niet dat iets vandaag wel mag en morgen niet. En hij spreekt  heel vaak mijn gevoel voor humor aan. 

Andere ouders
Ik heb ook geleerd om geduld te hebben. En – bijna tegenovergesteld: ik ben door Thijs heel fanatiek geworden. Bijvoorbeeld op school. Als Thijs de buitenwereld niet begrijpt, is dat voor hem heel bedreigend en kunnen er stoelen en tafels door de klas gaan. Zijn vorige juf zei dan: ‘Thijs gedraagt zich zo slecht, hij is niet te handhaven.’ Maar ik weiger hem te benoemen als gedragsprobleem. Mijn vraag is altijd: wat gebeurde er voorafgaand aan dat gedrag? Hoeveel prikkels zijn er geweest en hoe kunnen we dat voortaan voorkomen?

De omgang met andere ouders is soms best lastig. Ik wil graag dat ze op een andere manier leren kijken: je kunt wel alleen naar zijn gedrag kijken, maar wat wil je zien? Ik heb in mijn omgeving een aantal exemplaren uitgedeeld van het boek De ijskastmoeder: lees dit, dan weet je ongeveer wat wij meemaken. En help ons om Thijs te helpen. Uiteindelijk heeft de school Thijs geschorst. De directie stuurde daarop aan en sommige ouders steunden dat: zij vonden het belachelijk dat ‘dit soort’ kinderen zo’n stempel drukt op de klas. 

De school voor speciaal onderwijs bleek heel goed voor hem te zijn. Op zijn oude school koerste hij richting een VMBO-advies. Nu gaat hij waarschijnlijk naar het VWO. Het is twintig minuten fietsen, maar dat kan hij heel goed alleen: hij zal nooit door rood rijden. Dat is ook een voordeel, ha ha.

Talenten 2 
Thijs heeft veel talenten. Hij geeft andere dingen dan de andere kinderen. Hij heeft een enorm droog gevoel voor humor: ‘Dit is een autistengrap.’ Hij kan inderdaad heel goed puzzelen. Een puzzel van duizend stukjes legt hij in een uur. Hij vindt het ook heerlijk dat ik er slecht in ben. Hij kan dingen heel goed terugvinden. Z’n kamer is voor mij een puinzooi, maar voor hem volstrekt logisch ingedeeld: hier puzzel ik, hier speel ik met de lego en daar gooi ik mijn vuile kleren neer. 

Hij kan ongelofelijk goed componeren. In zijn hoofd hoort hij allerlei stemmen, die hij op papier noteert. Hij kan het zelf niet spelen, maar als zijn vader voorspeelt wat Thijs op papier heeft gezet, luistert hij heel aandachtig. En dan zegt hij: ‘Nee, die noot heb ik zo niet bedoeld. Die moet anders.’

En wat ik ook heel mooi vind: Thijs kan niet liegen. Als hij tegen me aan komt zitten en ik dat lijf voel, voelt dat zo goed. De liefde die ik van Thijs krijg, is heel oprecht. 

Interview: Marijke Verduijn
Lees ook de andere verhalen van ouders van kinderen die een eigen weg gaan

Autisme Asperger

 


Terug

Meer informatie Facebook   Twitter
contact disclaimer
inloggen colofon
2023 Zin in Opvoeding